Injectietechniek
Injectie met een huidplooi in een hoek van 90°
Vorm bij het injecteren een huidplooi met duim en wijsvinger (trek daarbij niet de spier mee omhoog). Kies een geschikte naaldlengte.
Injectie met een huidplooi in een hoek van 45°
Schuin injecteren wordt alleen aangeraden als er zeer weinig onderhuids vetweefsel is. Als je schuin injecteert, moet de hoek ten minste 45° zijn. Als je in een kleinere hoek dan 45°, dus vlakker, injecteert, kan de insuline slechts de lederhuid bereiken. Het kan dan zijn dat een striem of blauwe plek ontstaat op de injectieplaats.
Injectie zonder huidplooi in een hoek van 45° or 90°
De naald moet dan kort of hoogstens middellang zijn (6 tot 8 mm of 10 mm).
De meest gebruikte methode van injecteren is zonder huidplooi in een hoek van 90°. Om het risico van injectie in een spier te vermijden, worden korte naaldjes (< 8 mm) aanbevolen.