Behandeling van diabetes
Conventionele insulinetherapie (CT)
Deze insulinetherapie bestaat uit de
injectie van gemengde insuline, over het algemeen 's morgens en 's
avonds, of één injectie langwerkende insuline in combinatie met orale
medicatie.
Het voordeel van deze therapie is dat insuline slechts één tot drie keer
per dag hoeft te worden geïnjecteerd. Er zijn echter ook nadelen,
aangezien deze therapie niet echt flexibel is. Je moet je strikt houden
aan een vast injectie- en voedingsschema waarin de hoeveelheid en het
tijdstip van insuline-injecties en maaltijden is vastgelegd. Je kunt
hoge bloedglucosewaarden alleen beïnvloeden door vermindering van de
hoeveelheid koolhydraten of door lichamelijke activiteit.
Conventionele therapie wordt daarom meestal toegepast door personen met
diabetes type 2 bij wie de alvleesklier nog wel insuline produceert,
maar niet voldoende om te voorzien in de insulinebehoefte.
Insuline-afgifte bij mensen die geen diabetes hebben
Insuline-'afgifte' bij conventionele therapie (CT)
Insuline-‘afgifte’ bij conventionele therapie in vergelijking met
insuline-afgifte bij mensen die geen diabetes hebben:
te weinig insuline bij maaltijden alsmede in de vroege ochtenduren en in
de late namiddag, te veel insuline 's morgens en vooral 's nachts.
: gemengde of langwerkende insuline
Intensieve conventionele insulinetherapie (ICT)
De basisgedachte achter intensieve
therapie, die ook wordt beschreven bij de pomptherapie, is de
verregaande scheiding van basale en maaltijd- (bolus-)insuline. Basale
langwerkende insuline, die gewoonlijk 's morgens en 's avonds wordt
geïnjecteerd, voorziet in de basisbehoefte aan insuline van het lichaam.
Vóór elke maaltijd wordt extra kortwerkende normale of analoge insuline
geïnjecteerd. Zo worden de bloedglucosewaarden geregeld die ontstaan
door de tijdens een maaltijd genuttigde koolhydraten.
De combinatie van basale- en bolusinsuline is een poging tot imitatie
van de insuline-afgifte van een gezond persoon. Lukt dit niet, dan
kunnen er problemen ontstaan:
- Vele mensen met diabetes kennen het probleem van nachtelijke hypo's tussen 12 en 3 uur 's nachts, wanneer het niveau van de langwerkende insuline te hoog is, echter de insulinebehoefte van het lichaam laag is. Later in de vroege ochtenduren, wanneer de behoefte aan insuline toeneemt (“dawn-fenomeen”=dageraadfenomeen) en de werking van de insuline tegelijkertijd afneemt, kan dit worden gevolgd door hyperglycemie.
- Ondanks het feit dat de insuline precies op tijd wordt geïnjecteerd, kunnen er “hiaten” in de werking van de insuline optreden, omdat er een interactie tussen de basale- en bolusinsuline plaatsvindt. Het gevolg is schommelingen in de bloedglucosewaarden (te laag of te hoog), vooral wanneer er sprake is van veranderingen in het dagelijkse verloop van maaltijden of lichamelijke activiteit.
Samenvatting:
Alhoewel mensen met diabetes zichzelf bij de intensieve therapie vijf tot zes keer (of zelfs vaker) per dag moeten injecteren en genoegen moeten nemen met beperkingen in hun dagelijkse leven, is hun insulinevoorziening niet altijd optimaal. Insulinepomptherapie kan hiereventueel verbetering brengen.
Insuline-‘afgifte’ bij intensieve conventionele therapie (ICT)
Insuline-‘afgifte’ bij intensieve conventionele therapie in vergelijking met insuline-afgifte bij personen die geen diabetes hebben: te weinig insuline in de vroege ochtenduren en in de late namiddag, teveel insuline midden op de dag en vooral 's nachts.
: normale insuline
: langwerkende insuline