Jump to content

Juiste injectieplaats - Het kiezen van de juiste plaats

De insuline moet worden geïnjecteerd in het onderhuidse vetweefsel.

Injecteer de insuline altijd in het vetweefsel tussen de bovenste huidlagen en de spier. Door injecteren in het onderhuidse vetweefsel wordt de insuline goed verdeeld en opgenomen. Als per ongeluk in de opperhuid of spier wordt geïnjecteerd, leidt dit tot een moeilijk te voorspellen insulinewerking en zodoende tot schommelende bloedglucosewaarden.

Injection sites - choose carefully

Mogelijke injectieplaatsen zijn buik, bovenbenen en billen

Er wordt geadviseerd om de insuline te injecteren in het vetweefsel van de buik, billen of de buiten-/bovenkant van het bovenbeen. Blijf ten minste twee vingers breed (3 cm) uit de buurt van de navel. Vermijd injecties in de bovenarm of de binnenkant van het bovenbeen, aangezien hier het risico bestaat om in een spier te injecteren.

Gevaren door injecties in een spier:

  • Door onverwacht snelle insuline-opname (begin van de werking) verhoogd risico van hypo's
  • Onverklaarbare schommelingen van de bloedglucosewaarden
  • Pijn/druk bij de insuline-afgifte
  • Opmerking: intramusculaire injectie van diverse insulinetypes is niet toegestaan.

Gevaren door injecties in de opperhuid:

  • Insulinetekort (hyperglycemie) doordat te weinig insuline wordt opgenomen of insuline weglekt bij de prikplek
  • Pijn/brandend gevoel tijdens injectie
  • Huidirritatie of blauwe plek

De snelheid van de insulinewerking varieert

Je moet de insuline elke dag op dezelfde tijden injecteren en altijd in hetzelfde deel van het lichaam (maar op verschillende injectieplaatsen), zodat je de insulinewerking beter kunt inschatten. Het is belangrijk om te weten dat insuline het snelst wordt opgenomen en gaat werken, als deze in de buik wordt geïnjecteerd, gevolgd door bovenbenen en billen.
Kortwerkende insuline wordt gewoonlijk in de buik geïnjecteerd, om een snelle werking te verkrijgen.
Langwerkende insuline wordt gewoonlijk in bovenbenen of billen geïnjecteerd, omdat de werkingsduur daar wordt verlengd.

De snelheid van de insulinewerking kan ook worden verhoogd door de doorbloeding op de injectieplaats te verbeteren. Dit kan worden gedaan door:

  • de injectieplaats te masseren/wrijven
  • zonnebaden, saunabezoek of een warm bad
  • injectie in het bovenbeen en aansluitende lichamelijke activiteit (b.v. wandelen, joggen, fietsen)
  • andere invloeden/maatregelen die resulteren in een plaatselijk sterkere doorbloeding

Er moet regelmatig van injectieplaats worden gewisseld

Wissel de injectieplaats na elke injectie, indien mogelijk volgens een vast ‘rotatieprincipe’. De plaatsen moeten ten minste 3 cm uit elkaar liggen om weefselverharding (lipohypertrofie) te voorkomen.

Vermijd injectie in weefsel met afwijkingen

De opname en werking van insuline wordt onvoorspelbaar, als deze wordt geïnjecteerd in verhard vetweefsel (lipohypertrofie), littekenweefsel, moedervlekken of blauwe plekken. Hier moeten insuline-injecties absoluut worden vermeden.