Insuline-injectie

Problemen vermijden

ProbleemMogelijke oorzaakAdvies
Doseerknop van de pen kan niet worden ingedrukt Rubber membraan van de ampul niet doorgestoken Gebruik een nieuwe pennaald, naald recht op de pen plaatsen.
Pennaald te los Zorg ervoor dat de pennaald goed vast zit.
Pennaald verstopt Gebruik een nieuwe pennaald.
Ampul is leeg Controleer de ampul.
Insuline lekt vanuit de injectie-plaats Pennaald te kort Gebruik een langere pennaald.
Pennaald te snel na de injectie verwijderd (onvolledige insuline-afgifte) Verwijder de pennaald niet meteen (tel tot 10).
Te snel geïnjecteerd, insuline kon niet goed worden verdeeld Injecteer langzaam en verwijder de pennaald niet meteen (tel tot 10).
Pijnlijke injectie Pennaald meerdere keren gebruikt Wissel de pennaald na elke injectie.
Injectie in een spier Neem een huidplooi of gebruik een kortere pennaald.
Te oppervlakkig, een huidzenuw geraakt Gebruik een langere pennaald of spuit niet schuin.
Onvoldoende insuline-werking Ongeschikte injectieplaats (lipohypertrofie, littekenweefsel, huidverharding) Vermijd ongeschikte injectie-plaatsen.
Pennaald te snel na de injectie verwijderd (onvolledige insuline-afgifte) Injecteer langzaam en verwijder de pennaald niet meteen (tel tot 10).
Slechte menging van de insuline in de ampul (alleen van toepassing bij troebele insuline) Kantel de pen voorzichtig 20 keren heen en weer vóór elke injectie.
Pennaald verstopt Gebruik een nieuwe pennaald.