Jump to content

Problemen vermijden

ProbleemMogelijke oorzaakAdvies
Doseerknop van de pen kan niet worden ingedrukt
  • Rubber membraan van de ampul niet doorgestoken
  • Pennaald te los
  • Pennaald verstopt
  • Ampul is leeg
  • Gebruik een nieuwe pennaald, naald recht op de pen plaatsen.
  • Zorg ervoor dat de pennaald goed vast zit.
  • Gebruik een nieuwe pennaald.
  • Controleer de ampul.
Insuline lekt vanuit de injectie-plaats
  • Pennaald te kort
  • Pennaald te snel na de injectie verwijderd (onvolledige insuline-afgifte)
  • Te snel geïnjecteerd, insuline kon niet goed worden verdeeld
  • Gebruik een langere pennaald.
  • Verwijder de pennaald niet meteen (tel tot 10).
  • Injecteer langzaam en verwijder de pennaald niet meteen (tel tot 10).
Pijnlijke injectie
  • Pennaald meerdere keren gebruikt
  • Injectie in een spier
  • Te oppervlakkig, een huidzenuw geraakt
  • Wissel de pennaald na elke injectie.
  • Neem een huidplooi of gebruik een kortere pennaald.
  • Gebruik een langere pennaald of spuit niet schuin.
Onvoldoende insuline-werking
  • Ongeschikte injectieplaats (lipohypertrofie, littekenweefsel, huidverharding)
  • Pennaald te snel na de injectie verwijderd (onvolledige insuline-afgifte)
  • Slechte menging van de insuline in de ampul (alleen van toepassing bij troebele insuline)
  • Pennaald verstopt
  • Vermijd ongeschikte injectie-plaatsen.
  • Injecteer langzaam en verwijder de pennaald niet meteen (tel tot 10).
  • Kantel de pen voorzichtig 20 keren heen en weer vóór elke injectie.
  • Gebruik een nieuwe pennaald.